De winter en mijn lief zijn heen
De winter en mijn lief zijn heen.
Er zit een merel op het dak,
zijn keel beweegt, zijn snavel beeft
alsof hij in zichzelve sprak.
Hij luistert: uit een verre boom
klinkt als het ketsen van twee stenen
een vonkenregen van verlangen
zo luid, zo helder en zo bang.
De merel stort zich met een kreet
vol wildheid in de voorjaarsvlagen.
Ik kan het bijna niet verdragen:
mijn voorjaar en mijn lief zijn heen.
The winter and my love are gone
The winter and my love are gone.
Up on the roof a blackbird sits,
its throat astir, its beak aquake
as if within itself it spoke.
It listens: from a distant tree
there comes a sound like two stones clacking
a spark-filled rain of outpoured longing,
so loud, so clear-cut and so scared.
The blackbird with a primal screech
itself into the spring gusts flings.
And this my heart so sorely wrings:
my springtime and my love are gone.

No comments:
Post a Comment