Friday, 15 June 2018

The only poem ever to start with 'Spitsbogend'. Dèr Mouw of course!

Spitsbogend zetten kerkhofpopulieren
op zilvren voorjaarslucht hun diagrammen:
als ordinaten staan loodrecht de stammen,
waarom de lijnenfantazieën zwieren.

Ze staan als geel getong van ijle vlammen:
’t is of dood-zelf het Pinksterfeest wou vieren;
ze staan als lang orkest van reuz’ge lieren:
’t is of dood preludeerde in vlucht van gammen;

ze staan als sprok’ge groei van gouden veren,
uit dons van groen rijzend de grijze schachten:

’t is of, Phoenix, met nieuw ontvlamde krachten
het leven uit de dood terug wou keren.

Op eens – geruis, geruis. – Ik sta te wachten,
of ’t kerkhof vliegen gaat naar zonnesferen.


The churchyard poplars, gothic-arching, form
spring diagrams against the silver sky:
as ordinates the trunks, erect, stand high
and round them lines of fantasies all swarm.

They stand like yellow tongues of thin flame-trails:                            
it’s as if death itself’s observing Whitsun;
they stand, a giant-lyre orchestra now risen:
as if death were preluding flights of scales;

they stand like sheerest gauze of golden feathers
their green-down shafts of grey far upwards soar:

it’s as if Phoenix, flaring strength rewon,
would have life to return from death once more.

All at once – rustling – and I wonder whether
the churchyard’s flying off to realms of sun.



Thursday, 14 June 2018

Dèr Mouw: 'Soms vraag ik...'

i

Soms vraag ik nuchter: is ’t misschien een waan,
wanneer ik denk, ik ben Brahmans profeet –?
Herleeft in mij, zonder dat ’k zelf het weet,
een zon- en regentov’rende sjamaan?

Of doe ik aan mystiek, noem ’k mij brahmaan,
omdat het literair staat en gekleed?
En preek ik koketterend van mijn leed,
omdat het hoort bij ’t dichterlijk bestaan?

Dat ’k zelf dit vraag, is dat al geen bewijs?
Ja, zeg ik daarom, dat ’k oud ben en grijs,
opdat ‘t zal schijnen: Wat hij zegt, is waar?

Of knaagt de twijfel na mijn wetenschap
hong’rig ’t geloof stuk in mijn dichterschap? –
Ik meende altijd, ik was geen huichelaar.


i

At times I ask straight out: is it insane
to think perhaps that I am Brahman’s prophet –?
yes, that in me, though I know nothing of it,
a shaman lives who conjures sun and rain?

Or do I play the mystic, act the brahmin,
because it looks like skills that are arcane?
And do I pose and preach about my pain,
because a poet simply has to, amen?

Isn’t my asking proof sufficient too?
Yes, is that why I say I’m old and grey,
so people then think: What he says is true?

Or after knowledge does doubt gnaw away
still hungrily all my poetic wit? –
I always thought myself no hypocrite.


Wednesday, 13 June 2018

More flowers from Dèr Mouw - pansies this time

violenbed

Het hele perk was vol: je zag geen zand.
De paarsen leken ernstige oude heertjes,
de bruinen glanzend-moll’ge, goed’ge beertjes,
de gelen pluimen van een goudfazant;

en massa’s witten stonden om de rand,
zo wit als vlinders of als duiveveertjes,
net roomse kindertjes in Pinksterkleertjes,
die om iets heiligs heen staan, hand in hand. –

Verwilderd is ’t, deels plat, deels uitgeschoten,
zodat ik – ’k zie ze nog – die mooie groten
in de verschrompelenden nauw’lijks herken;

maar even lang als toen sta ik te kijken:
ze deden goed hun best; ’t mag nu niet lijken,
alsof ’k voor ’t vroeger moois ondankbaar ben.


bed of pansies

The bed was full of flowers: no sand in sight.
The violet ones seemed old gents – grave and mellow,
the brown ones bear cubs – gentle, cuddly fellows,
the yellow – pheasant’s plumes of golden light;

a host of white ones formed a fringing band,
as white as butterflies or pigeon feathers,
like Catholic infants, Whitsun-dressed, together
round something holy, standing hand in hand. –

All has run wild, flowers squat or far too high;
it’s hard –  I see them still – to identify
large lovelies in shoots shrivelling and sad;

but just as long as then I gaze and dream:      
they did their very best; I shouldn’t seem
ungrateful for the beauty all once had.


Tuesday, 12 June 2018

Dèr Mouw: 'Tulips'

tulpen

Bloedplassen, trots het zonlicht levend rood,
zag ’k wijd vervloeien tot de horizont;
uit lang gespleten, geel ett’rende wond
walmde wee-zoete reuk, als van de dood;

en ’t leek, alsof een bloedstraal opwaarts spoot,
en onbeweeglijk hing boven de grond:
de droppels sidderden, helrood en rond,
gestold tot blad’ren aan de beukesloot.

De zon ging onder. Schuwe schem’ring sloop
over de landen; en aarzelend kroop
door mist van bloed, zoekende tor, de maan;

en ’k voelde mij de enig levende mens
in dode wereld, en ik zag immens
het spook van de aarde ontzettend voor me staan.


tulips

Blood pools, in spite of sunlight living red,
I saw spread out to the horizon’s rim;
from wide-split wound, with pus filled to the brim,
there belched a sick-sweet stench as that of death;

it seemed as if a blood-jet, skyward pitched,
hung motionless high up above the ground:
the droplets quivered, scarlet-red and round,
congealed to leaves along the beeches’ ditch.

The sun went down. A timid twilight swept
across the lands; and through a blood-mist crept
the uncertain, probing beetle of the moon; 

It felt that in a dead world only I
stood there alive, and saw up in the sky
earth’s vast and terrifying spectre loom.



Monday, 11 June 2018

'Door winteravondmist' - translation of Dèr Mouw's poem

Door winteravondmist zijn blauw beslagen
de ruiten van de tram: spektrale kringen
vervloeien, of vervolgen en doordringen
elkaar naar stand van lantarens en wagen:

soms is ’t, of reusacht’ge juwelen ringen
vlak achter ’t glas in etalages lagen:
dan lossen ze op tot halo’s, die vervagen
doorzichtig, wijd, in kleur’ge scheringen.

En vlinders, vogels, bloemen, sprookjesachtig,
repen changeant van zij, exotisch prachtig,
ze schuiven langs me, eindloze stalenkaart –

plotsling, op ’t plein – lugubre, roodpaarse ogen,
dreigend uit vreemdgesloten regenbogen,
staan als een ontzaglijke pauwestaart.


The winter evening mist has made the panes
steam up inside the tram: and wraithlike space-rings
converge, or form sequential interlacings
according to the lamps’ and tram’s domains:

it seems at times bejewelled huge rings lay
close up behind shop windows’ passing flurry:
they then dissolve to haloes which grow blurry,
transparent, wide, in prism-cut display.

And butterflies, birds, flowers, quite fairytale,
shot bars of silk, exotic and full-scale,
an endless pattern card, scroll slowly past –

suddenly, on the square – mauve, baleful eyes,
threat’ning in strangely shuttered rainbow guise,
stand like some peacock’s tail, fanned out and vast.