DE GESTORVENEN
Wij lagen naast elkander. Om haar hand
Hadden mijn vingers zich vast heengewonden.
Zo hebben zij des ochtends ons gevonden:
Voorgoed ontkomenen aan een ledig land.
Zij dachten dit een eindelijken band
Tussen twee die elkander niets dan wondden:
‘Levend gescheiden, in den dood verbonden’ -
Zij hebben ons geheim niet aangerand.
Want het was anders. Op dien laatsten tocht
Wilde ik mijn liefde haar doen uitgeleiden
En had mijn hand moeizaam haar hand gezocht.
Niet om die te behouden: zo verlaten
Als ik altijd geleefd had wilde ik scheiden,
Maar ik was heen eer ik ze los kon laten.
THE DEAD
We lay next to each other. Round her hand
My fingers had now twined and held it tight.
Thus had they found us in the dawning light:
Escaped forever to a vacant land.
They thought this signified a lasting link
Twixt two who only traded wounds and strife.
‘Parted in life, in death though man and wife’ –
But of our secret they’d not grasped one wink.
For it was otherwise. On this last trip
I wished my love to help her to depart,
And arduously sought her hand to grip.
Not to keep holding it: I wished to show
I’d been alone and so I wished to part,
But I was gone before I’d could let go.

No comments:
Post a Comment