Djangir
Zij dansen. Duizend dromen in één nacht.
De dromen van een licht bewogen leven:
Hoe men lief kan hebben; hoe men best zacht
Mag zijn, maar niet half-zacht; hoe men zich geven
Moet, maar nooit helemaal; hoe men wel beven
Kan van ontroering, doch, op vorm bedacht,
De hartstocht door een gouden huid moet zeven
Tot zweetglans, oogopslag en pradadracht.
Nu zullen dit voor mij wel dromen blijven.
Maar hier neemt één idee in vele lijven
Gestalten aan en winnen alle zinnen
Het van de zuiverste gedachtengangen:
Hier laat, in duizend dansposen gevangen,
De schoonheid zich bloot lijfelijk beminnen.
De 'djangir' is een moderne Balische dans, waarbij de dansers en danseressen in een carré zitten en de solodanser in het midden, voortdurend met gebaren en mimiek begeleiden. De kleding van de dansers en in het bijzonder die van de danseressen, bestaat uit lappen die met bladgoud zijn opgelegd, het zogenaamde prada, en die om het lichaam worden gewonden. Het schouderstuk en het hooftooisel zijn meestal van leer of perkament, eveneens rijk met goud bewerkt, zoals de hele kleding rijk en kostbaar is. De dans zelf is zeer zinnelijk en hartstochtelijk, maar in strenge vormen gevat.
Djangir
They dance. A thousand dreams in just one night.
Dreams of a life that’s lightly set in motion:
How one can love; may be gentle all right
but not half-gentle, must accept the notion
Of partial self-giving, be quivering,
with emotion, yet form’s prime role confess,
Must sift one's passion through a golden skin
To gleaming sweat, glances and prada dress.
For me all this may well stay merely dreams.
Here, though, in many bodies it would seem
One idea becomes shapes, the senses gloved
and coated with the purest trains of thought:
Here, in a thousand dancing poses caught,
Beauty can almost physically be loved.
The ‘djangir is a modern Balinese dance in which the dancers, male and female, sit in a square with a solo dancer in the middle, always accompanied by physical and facial gestures. The attire worn by the dancers and, especially that of the female dancers, consists of patches gilded with goldleaf, the so-called ‘prada’, which is wound round the body. The epaulets and headdress are usually of leather or parchment, also richly decorated with gold, which means the garment is very rich and costly. The dance itself is extremely sensuous and passionate, yet couched in strict forms.








