HOE is mijn lief van puren goude,
Hoe zilvren ben ik hem!:
Wanneer hij zingt ‘Isoude’,
Teêr-blank beslaat zijn stem.
Ik ken geen manelichter lied
Dan dat zijn straal naar mij verschiet!
Die met hem in den dag verkeeren,
Prijzen wel schoon
Mijn vogels gouden veêren,
Maar niemand weet zijn hartetoon.
In schemerkleurlooze avondzaal
Zingt mij alleen mijn nachtegaal...
Hoe kan hij schat van zangen
Bewaren tot het avond is
Zoo trouw als ik mijn arm verlangen,
Die rijkste droefenis?
Ontzegelt dan mijn kus alleen
Die helle wel van vreugdgeween?
Zoo schijnt de goudgedegen
Zon al den dag de wereld licht,
Maar waart zijn teêrstgenegen
Blik achter oogen dicht,
En in den nacht als geen hem ziet,
Ruischt naar de maan dat zilvren lied.
(First published in De Nieuwe Gids gedenkboek 1910, p. 32)
MY love is nought to me but golden,
I to him silver sheen!:
Whene’er he sings ‘Isolde’
His voice is shroudlike gleam.
No song I know so lunar-bright
As his projected shaft of light!
Those who by day may share his image
Can but extol
My bird’s gold-gleaming plumage,
To none though does his heart unfold.
In colour-faded twilight-hall
Sings but to me my nightingale...
How can that treasure-hoard of
Songs be kept till the evening-hour
As I poor yearning loyally store, a
Wealth of sadness held as dower?
Must then release come from my kiss
For that bright spring of tearful bliss?
So does the native-golden
Sun give light to all the days,
Yet its closed eyes keep hidden
Its fondest gentle gaze,
And unseen murmurs all night long
Out to the moon that silver song.










