VERLEDEN
Uit melodie en licht werd elke ziel geboren,
Eenzelvig in de ban van haar persoonlijkheid,
Maar het verleden blijft in haar verlangen gloren.
De druppel heugt de zee van zijn oneindigheid.
In de avond raken haar de mythen en legenden.
Die resoneren op de spiegeling der maan.
Uit runen roept de demon van de onbekende
Die in gestorven tijd zijn adem heeft verdaan.
Aanhanklijk ducht de mens de tekens van het weten
Van een bewogen hand, die kerfde tot de steen.
Het woord verrukte haar; zij heeft het lang vergeten,
Want Gods gedachte ging door haar verleden heen.
De doden zijn vergaan in schaduw der gebouwen.
En de ademloze steen weerhoudt de warme hand.
Als de echo’s van het licht in duisternis vergrauwen,
En stervend wachten als Gods tekens aan de wand.
PAST
From memory and light each human soul was born,
Uniquely spellbound by her personality,
The past though in her longing lingers on as dawn,
Each drop recalls the sea of its eternity.
At eventide she senses legends and old myths
Which start to resonate with moon’s reflected grace.
The demon the unknown retrieves from runic script
Which in lost ages his own breathing has laid waste.
With reverence man feared the signs of knowledge gained
by skilful hands in motion fashioning the stone.
The word entranced her; though forgotten it remained,
For God’s thought passed right through her past and then was gone.
The dead have perished in the buildings’ barren shade.
And the unbreathing stone holds the warm hand in thrall.
Just as the echoes of the light to darkness fade
And dying guard as God’s own writing on the wall.
Translated in collaboration with Albert Hagenaars
Poetic Synapses 75








