PYGMALION V | MAURICE ROELANTS 1949
'k Schep u altijd opnieuw in mijn verrukte zinnen,
of neen, vrouw van mijn droom, wij scheppen steeds elkaar.
Eén angst: werd ooit geduld zulk mateloos beminnen,
zulk aldoor stijgen van een sterflijk mensenpaar?
Te midden van die vlucht voel ik mijn pennen breken,
verstorven aan uw mond beklemt me een vreemde druk:
de droppels die u traag langsheen de lippen leken
zijn tranen van iets raadloos in het rijkst geluk.
Van waar, ontbindend zuur, zijt ge in die zoen gedropen?
Dit uur is veel te rijk, de tijd is veel te kort,
en van vertwijfling slaan mijn slapen toe en open:
Ikaros ben ik, die uit liefdes hemel stort.
PYGMALION V
In my crazed senses you I keep on recreating,
no, dream-woman – two-way creation’s more this force.
One fear: would e’er such loving that has no abating,
such sheer soaring by two mortal creatures be endorsed?
Caught up in such a flight I feel my pens are breaking,
Long lost at your mouth a puzzling strain oppresses me:
the droplets that along your lips seemed tracks were making
are tears at what’s unsettling in this rich ecstasy.
From where, dissolving acid, did you in that kiss drip?
This hour is far too rich, and time’s brevity confounds,
and out of desperation my temples throb and whip:
Icarus am I, who from love’s sky now plummets down.
Translated in collaboration with Albert Hagenaars
Poetic Synapses 66






