Wat nog splijten kon in jaren van weemoed,
nog kon roesten van onlesbare dorst,
vervalt en het roepen onder de aarde
doet geen pijn meer en de lampen,
de waakzame, van de ruisende vrouwen
gaan in duister gekleed.
Kijk, een haas slaat zijn haken,
buitelt en
proeft tussen zijn tanden het lood.
What could still split in years of melancholy,
still rust from unquenchable thirst,
decays and the underground calling
no longer causes pain and the lamps,
the vigilant ones, of the rustling women
are clad in darkness.
Look, a hare zigzags away
tumbles and
tastes the lead between its teeth.
Translated in collaboration with Albert Hagenaars
Poetic Synapses 51
