Winter van Breughel
Winter van Breughel, de heuvel met jagers
en honden, aan hun voeten het dal met het dorp.
Nog even, maar hun doodmoeie houding, hun stap
in de sneeuw, een terugkeer, maar bijna zo
langzaam als stilstand. Aan hun voeten groeit
en groeit de diepte, wordt wijder en verder,
tot het landschap verdwijnt in een landschap
dat er moet zijn, en er is, maar alleen
zoals een verlangen er is.
Voor hen uit duikt een pikzwarte vogel. Is het spot
met de moeizame poging tot terugkeer naar het leven
daar beneden: de schaatsende kinderen op de vijver,
de boerderijen met wachtende vrouwen en vee?
Een pijl onderweg, en hij lacht om zijn doel.
Winter by Breughel
Winter by Breughel, the hill with its hunters
and hounds, with the valley and village below.
Just briefly, though bone-weary posture, their steps
in the snow, a return, but one almost as
slow-paced as stasis. At their feet the abyss
now deepens and deepens, grows wider and farther,
till the landscape melts into a landscape
that has to be there, and is there, but only
provided a longing is there.
From above dives a bird black as pitch. Does it but mock
with its taxing attempt to make a return to the life that
lies far below it: the children that skate on the pond and
the cattle and wives, waiting on farms out of view?
An arrow dispatched, and it laughs at its aim.
No comments:
Post a Comment