LE POÈTE PUR PARLE
Ik ben een smerig rijmelaar
met roos en vet in ’t sluike haar,
die, ongewasschen, ongeborsteld,
al zweetend met zijn rijmen worstelt
om, is per slot een vers gelukt,
na 'n haastig middagmaal verrukt,
op alle muzen te gaan klinken
en me een goeden roes te drinken,
want zonder muze, zonder rijm
ben ik een slordig sliertje slijm,
dat om zijn kleinheid te vergeten
zijn heil zoekt in onmatig eten,
in drank en spel en vrijerij,
een kermisklant, zoo vogelvri)....
LE POÈTE PUR PARLE
A grubby rhymster I from birth,
my limp hair clogged with grease and scurf
who quite unwashed and never combed,
grapples sweat-drenched to rhyme his poem,
and, if a line at last sounds good,
I mad with glee gulp down my food
then drink a toast to every muse
and get quite plastered while I booze,
for if deprived of muse and rhyme
I’m just a sticky string of slime
that, to forget my hopeless bleating,
salvation seek in overeating,
in gambling, drink as well as whores,
a carny, quite beyond all laws.
Translated in collaboration with Albert Hagenaars
Poetic Synapses 52

No comments:
Post a Comment