Zondag
De stilte, nu de klokken dooven,
Wordt hoorbaar over Zondagsch land
En dorpsche woningen, waarboven
Een schelpenkleur’ge hemel spant.
De jeugd keert weer voor de’ in gedachten
Verzonkene, die zich hervindt
Een warm van onbestemd verwachten
In Zondagstilte eenzelvig kind.
En tusschen toen en nu: ’t verwarde
Bestaan, dat steeds zijn heil verdreef;
De scherpe dagen, waar de flarde
Van ’t wonde hart aan hangen bleef.
Niet te verzoenen is het leven.
Ten einde is dit wellicht nog ’t meest:
Te kunnen zeggen: het is even
Tusschen twee stilten luid geweest.
Sunday
The silence, now the bells stop chiming,
Is audible o’er Sunday’s land
And village dwellings, ’neath the climbing
Pearlescent skies’ high-arching span.
And youth returns within the one who,
Lost in his thoughts, can childlike feel
A warm, diffuse expectancy through
The Sunday’s silence slowly steal.
And, between then and now: the tangled
Existence that well-being quelled;
The keen-edged days that left just mangled
One’s gash-torn heart, all hopes dispelled.
Life’s incompatibly ill-founded.
The most that one can do, unbowed,
Is make the claim: it briefly sounded
Between two silences quite loud.

No comments:
Post a Comment