Tuesday, 1 September 2026

Martinus Nijhoff: 'Con sordino'

 


Con sordino

 

Zij zei tot mij: ‘Je bent een prins in bed’.

IJsbloemen waren op het raam gesproeid.

Ons lichaam, tot ontbinding toe vermoeid,

Was tusschen koele lakens in-gebed.

 

De wereld is herboren na dit sneeuwen

En ik ben weer een kind na deze nacht.

Wees goed voor mijn eenvoudigheid, die zacht

Spreekt als een schilderij der middeleeuwen.

 

Zie achter dennen het kasteel uitsteken,

En aan den einder als een schuine balk

Het zonlicht op het vrome landschap breken!

 

Door 't weiland draaft een ridder met zijn lief:

Hij fluit de honden, en zij ziet den valk

Stijgen, die van haar handschoen zich verhief.

 

 

Con sordino

 

She said to me: ‘You are a prince in bed.’

Upon the frozen pane ice flowers were sprayed.

Nestling between cools sheets as if unmade,

Our body by fatigue now lay outspread.

 

After this snow the whole world’s born anew

And this night over I’m once more a child.

Be kind to my simplicity whose mild

Voice speaks like medieval paintings do.

 

See behind pines the castle turrets stand,

And like a slanting beam on the horizon

The sunlight breaking over pious land!

 

A knight through meadows canters with his love:

He whistles to his dogs, she sees the falcon

Now risen from her gauntlet soar above.

 

 

J.C. Bloem: 'Voorjaar'


 

Voorjaar

 

De zon brak door de barre voorjaarslucht.

Plotseling kantelde er een vogelvlucht.

Op de aarde smolt de dungezaaide sneeuw.

Hart, gij zijt vrij; gij waart om niets beducht.

 

 

Spring

 

Through desolate spring skies the sun broke clear.

A flight of birds dropped in a sudden sheer.

The thinly sown snow melted on the earth.

Heart, you are free: you had no grounds for fear.

 

J.C. Bloem: 'Nachthemel'


 

Nachthemel

 

Onder de eenvormigheid der laatre jaren

Gebogen tot een warse en schriele deugd –

Hoe zou ’t ontduisterende hart bewaren

De jeugd, en de vervoering van de jeugd?

 

Totdat we een avond, onverwachts getogen

Door onvrede, of door ’t sterrenlicht misschien.

Heengaan en als een knaap met heldere ogen

Den onuitsprekelijke hemel zien.

 

 

Night sky

 

Beneath the sameness of years not long past

Reduced to paltry virtue we deplore –

How can the dark-dispelling heart hold fast

To youth and to the rapture at youth’s core?

 

Until one evening we, roused and surprised

By discontent, or maybe stars’ bright light,

Go out and like a lad with gleaming eyes

View the ineffable welkin of the night.