DE ZIGEUNERIN
Zij heeft mij in haar donkere tent gelokt:
Ik ben er op haar beenen ingeloopen,
Want naar zij zeide zou ze ’t bloot en open
Leggen nadat ’k een gulden had gedokt.
En ik, bij de’ eersten aanblik reeds geschokt,
Ben blindelings bij haar binnengeslopen
En zij ontknoopte er een voor een de knoopen -
Niet van haar jurk, maar van mijn grillig lot.
Ik heb mijn hand in die van haar gelegd,
Zij zag de naaste toekomst en moest blozen:
“U bent nog niet verbonden in den echt,
Maar 'k zie dat u zeer gauw zult minnekozen.”
Mijn hand kwam onderhand verdwaald terecht
En ’t noodlot ging van toen af over rozen.
THE GIPSY WOMAN
She got to lure me into her dark tent:
it was her legs that seemed to lead the way,
She claimed she would reveal it once I’d spent
The guilder every client had to pay.
And I, already at first sight quite shocked,
Slipped blindly in at this so tempting bait
And she undid the buttons one by one –
Not of her blouse, but of my fickle fate.
I placed my hand in hers, and soon she saw
my nearest future, and her flushed cheeks shone:
‘You’ve not yet tied the knot beyond all doubt,
But soon you’ve lovey-doveying galore.’
Meanwhile my straying hand had worked it out –
A bed of roses was my fate in store.
Translated in collaboration with Albert Hagenaars
Poetic Synapses 53

No comments:
Post a Comment