Saturday, 24 January 2026

Jan Lauwereyns: 'Ars poëtica'

 


Ars poëtica

 

Ik wist wel zeker

dat er poëzie uit mijn pen

aan het vloeien was maar kon helaas

mijn eigen gedicht niet lezen.

Er verschenen slechts

aan elkaar gehaakte zwarte

lijnstukjes, krullen, hier en daar

losstaande puntjes—alles bij elkaar

een choreografie van woorden

zonder betekenis, grammatica

zonder zin. Je bent dan ook

aan het dromen met je

rechterhersenhelft,

verklaarde mijn engelbewaarder

die even over mijn schouders mee

kwam lezen. De stem van de wijze engel

klonk gelijk een stuk zenuwachtiger,

vooruit, jongen, snel, snel, is het gedicht

nu eindelijk bijna klaar? Hij had opeens

de Dood voor ogen, meer bepaald, de

dood van ach, mijn liefje.

En het was geen mooie dood.

Een priester in paars gewaad

leidde de processie door de korenvelden.

Eerst kwam de kar, getrokken door

een eenzaam paard met blinkende helm

en drie wapperende zwarte veren.

Het paard trok de lege kar en aan de kar

was een ruw touw geknoopt,

en daaraan hing het verkoolde lijk.

Het kromp in elkaar van de pijn,

van hoe het over de harde grond

werd meegesleurd.

Mijn engelbewaarder schreeuwde

iets naar de onverbiddelijke priester,

en mijn dode liefje leek welhaast

van schaamte te zullen sterven.

Alleen ik bleef kalm,

mijn gedicht kon uitkomst bieden

want alle moleculen

riep het weerom

uit hun verstrooiing. Alle.

Plagiaat! riep de priester.

En het lijk bleef verkoold,

haar huid kreeg geen kleur,

en ik moest maar weer

op een blank blad beginnen.

 

 

Ars poetica

 

I was pretty sure

that poetry was flowing

from my pen but was alas unable

to read my own poem.

All that appeared was

black line fragments hooked on

to each other, whorls, here and there

detached dots – taken together

a choreography of words

without meaning, grammar

without sense. But then you

are off dreaming with the right side

of your brain,

explained my guardian angel

who’d just arrived to read along

over my shoulder. The voice of the wise angel

sounded at once a bit more nervous,

keep going, lad, quick, quick, is the poem

almost complete at last? He suddenly had

Death in front of him, more precisely, the

death of, oh no, my own love.

It was no pretty death.

A priest in purple robes

led the procession through the fields of corn.

First came the cart, drawn by

a solitary horse with gleaming helmet

and three fluttering black plumes.

The horse pulled the empty cart and to the cart

a rough rope had been knotted,

on which the charred corpse hung.

It writhed with pain

at being dragged along

over the hard ground.

My guardian angel shouted

something at the unrelenting priest,

and my dead love almost seemed

about to die of shame.

Only I remained calm,

my poem could offer an outcome

for it called back

all the molecules

from their dispersion. All of them.

Plagiarism! shouted the priest.

And the corpse stayed charred,

its skin was still colourless,

and I had to start

all over again on a

blank page.

 

 

No comments: