Friday, 21 August 2026

Joan van den Heuvel (1858-1915): 'Het beestenhok'

 


HET BEESTENHOK

 

Mijn vader was een wijs man,

Stil, in zich zelf gekeerd,

Die met zijn handen werkte,

En's zondags ijv’rig kerkte;

Ik hield hem voor geleerd.

 

Eens... heden denk ik ereis d’ran;

Zo’n zomermiddag was ’t ...

’k Zat in de binnenkamer,

Luist’rend naar vaders hamer,

Bij d' altijd dichte kast.

 

Juist toen kwam vader binnen,

Met opgestroopte mouw.

Ik trad schroomvallig nader:

Wat bergt de kast toch, vader?

Toe, vader, zeg het nou!

 

Hij stond maar kort te zinnen.

Toen heeft hij dit gezeid:

Daar achter zitten beesten,

Van d’ergste, meest gevreesde:

En ieder beest, dat bijt.

 

Ik bleef verschrokken staren,

Daar vader nooit bedroog;

Doch moest ik wel bedaren,

Toen ’k nimmer kon ontwaren,

Dat enig beest bewoog.

 

Ik kon ’t mij niet verklaren;

Toch bleef de vrees mij bij.

Eens kwam ik aangelopen.

De binnenkast stond open.

Ik zag een bokenrij.

 

 

THE BEASTIE BOX

 

My father was a wise man

A silent introvert,

With hands an eager beaver, 

In church a staunch believer;

His mind seemed so alert.

 

One summer day ... like this one ...

I sat indoors and dozed

Despite my father’s clamour

While pounding with his hammer

A box whose door stayed closed.

 

Just then my father entered,

His forearms in full view.

I timidly approached him,

What’s hidden there, I coaxed him?

Oh father, tell me do!

 

He paused just for a moment.

Then this was what he said:

Inside are horrid beasties,

With fearful, gnashing teethies

That bite and wish you dead.

 

I stared in blank amazement,

For father never lied;

Though gradually my fearing

Grew less from never hearing

A single beast inside.

 

I could not quite explain it;

My fear still gave me looks.

One day I passed beside it

Its door was open wide – it

Contained a row of books.

 

 

No comments: