NOVALIS
Zijn oogen waren onnatuurlijk groot,
De bleeke handen te roerloos voor daden -
Zooals een bloem uitbloeit met open bladen,
Droomde zijn leven open naar den dood.
Zijn zwakheid glimlachte als een kind glimlacht,
Wanneer zijn tuin bevroren is van winter -
Hij stond voor ’t raam en, glimlachend naar ginder,
Zong hij zijn zachte liefde door den nacht.
Er hingen - wonderlijk - over het paars
Behangsel schaduwen van vreemde dingen -
Hij kon zijn angst niet dempen door te zingen,
Het leven droeg iets stils, dood-stils en zwaars.
Hij zat voor ’t instrument en speelde een wijs
Die meedreef met het drijven van zijn droomen,
En zei eenvoudig: ‘Nu zal wellicht komen
Hij met den zandlooper, viool en zeis?’
NOVALIS
Unnaturally large were both his eyes,
His pallid hands too motionless for action –
Like petals on a flower unfold, grow waxen,
His life he dreamed to bloom to its demise.
His weakness smiled – as does a child’s glazed smile
When its now frozen garden makes it ponder –
Stood at the window, smiled at what lies yonder,
And through the night he sung his love so mild.
To the mauve wallpaper, and boding ill,
The shadows of strange things seemed to be clinging –
He could not calm his anxious fear by singing,
For life was heaviness and deathly still.
He then sat down and played a tune so lithe
It with his drifting dreams entwined its humming,
And simply said: ‘Whom do I sense is coming,
Him with the hourglass, violin and scythe?’

No comments:
Post a Comment