Friday, 6 November 2026

P.C. Boutens: [Andries de Hoghe]: 'Negende Strofe'


 

Negende Strofe

 

Daar is niet éen die eenzaam gaat als ik,

en geen der andren draagt zijn harts geheim –

dit donker zaad dat zwelt naar lichten bloei,

dit stomme leed dat hijgt naar luid geluk –

in zulk een klem van onverbreekbaar zwijgen.

Want als een kind, in vroegste jeugd verdoold

naar een ver land, moeder en moedertaal

alleen nog weet als felbewust gemis,

ergens achter den bleeken horizon

een lang verloren onbereikbren schat;

en als zijn hart in druk van smart of vreugd

zich uit moet spreken aan een ander hart,

keert het vreemd woord in ledige echo weder,

ijdel en dood zoodra zijn mond het sprak –:

zóo, waar ik door de lichte volten dwaal

van dit ontelbaar levendschoone volk,

wenken van de overzij der dubble stilte

oogen alzijds mijn oogen als gelijken,

en mijn hart bonst in luideloozen zang;

maar als mijn schuwe groet hun nadertreedt,

en van hun lippen ruischt het helder antwoord,

dan voel ik hoe ik nimmer halen zal

den simplen aanslag van dien heemschen toon,

en ’t teedre lied blijft op mijn lippen stom...

En andren onderwijl, als duistre schimmen,

met oogen achter schaduwmom versmeuld,

sluipen en duiken door het dichtst gewoel,

en vaak benadert mij hun half gebaar

als een dof grijnzen: ‘gij zijt éen van ons’ –

en van hun lippen valt een heesch gefluister,

een taal waarin geen schepsel zingen kan,

maar waarvan iedre klank mijn hart doorpriemt

en ieder woord mijn diepste wezen schokt,

en tranen wellen, die mijn oogen branden...

O daar is geen die eenzaam gaat als ik!

 

 

Ninth Stanza

 

There’s no one else as lonesome as I am,

no others who heart’s secret have to hold –

this small dark seed that swells to light full bloom,

this mute distress that yearns for loud delight –

in such a vicious state of lock-jaw silence.

Just as a young child who has lost his way

to some far land, mother and mother tongue

knows only as a starkly conscious loss,

somewhere beyond horizon’s distant rim,

a treasure that is lost and out of reach;

And as his heart impelled by pain of joy

must needs express this to some other heart,

the strange word as an empty echo then returns,

worthless and dead as soon as it’s been said –:

so too, as I roam through the light errings

of this uncountable and beauteous folk,

from the far side of double silence eyes

wave everywhere to my own eyes as equals,

and my heart pounds in what is soundless song;

but as my timid greeting reaches them

and the clear answer murmurs from their lips,

I then feel how I never shall attain

the simple lightness of that homespun tone,

and on my lips the tender song stays mute…

And others meanwhile, as if murky spectres,

slither and dive where turmoil is most dense,

and often their half-gesture reaches me

like some dull sneering: ‘you are one of us’ –

and from their lips hoarse whispering is heard,

a language that no human tongue could sing,

but every sound of which bores through my heart

and every word my deepest being shocks,

and tears well up that cause my eyes to burn…

‘Oh, no one is as lonesome as I am!

 

There is now general agreement that Boutens was the author of poems by 'Andries de Hoghe'. See, for example here. 

 


 

 


 

 

No comments: